Veroudering van de huid – welke veranderingen vinden plaats?
Vanaf het twintigste jaar begint de huid te veranderen. De barrièrefunctie wordt steeds zwakker. De stofwisselingsprocessen in de cellen worden trager en de huid verliest steeds meer vocht en wordt minder elastisch.
Leeftijd is niet de bepalende factor voor de conditie van de rijpere huid. Het zijn de omgevingsfactoren die een centrale rol spelen bij huidveroudering. De tint, de elasticiteit en het herstellende vermogen van de opperhuid van delen van de huid die niet aan licht worden blootgesteld nemen pas op een veel latere leeftijd af vergeleken met delen die wel aan licht worden blootgesteld.

Veroudering van de huid wordt beïnvloed door:
A endogene factoren en
B exogene factoren.
Veroudering van de huid
Endogene en exogene huidveroudering
Het uiterlijk en de functie van de rijpere huid worden door verschillende factoren beïnvloed. Het normale biologische regressieproces is een intern proces en wordt niet beïnvloed door externe factoren. Onderdelen van dit proces omvatten:
- vermindering van het vermogen om nieuwe cellen aan te maken.
- minder actieve talg (i)- en zweetklieren.
- lagere oestrogeenproductie.
De belangrijkste externe factoren die tot vroegtijdige veroudering van de huid leiden (ook photo-ageing genoemd) zijn:
- blootstelling aan UV-straling met de bijbehorende vorming van vrije radicalen (i).
- gebruik van genotmiddelen (tabak, alcohol).
- klimaat- en weersinvloeden.
Minder actieve talg (i)- en zweetklieren
De activiteit van de talg (i)- en zweetklieren neemt met de leeftijd af en hierdoor ontstaat een gebrek aan stoffen die belangrijk zijn voor de structuur van de hydrolipidelaag en de beschermende zuurmantel (i). Het resultaat is een droge, gesprongen huid met een gebrek aan lipiden. Deze huid reageert veel gevoeliger op zeep en alkalische oplossingen, die in tal van reinigingsmiddelen voorkomen. Door het gebruik van dergelijke producten worden alleen maar meer lipiden van het huidoppervlak verwijderd. Als gevolg daarvan droogt de huid steeds meer uit door een verhoogd transepidermaal vochtverlies (TEWL). Het huidoppervlak wordt ruw en de hoornlaag begint kleine barstjes te vertonen. De huid wordt strak en kan gaan jeuken.
Uiterlijk en histologische veranderingen
Het uiterlijk van de ‘rijpere huid’ wordt gekenmerkt door de onderstaande veranderingen in de drie huidlagen, de onderhuidse vetlaag (subcutis), de lederhuid (dermis) en de opperhuid (epidermis). Naarmate de huidveroudering vordert, verdwijnt het onderhuidse vetweefsel geleidelijk en wordt de lederhuid dunner. Het bindweefsel verliest zijn vezelachtige structuur en vochtvasthoudende vermogen. De elastische vezels sterven af en er ontstaan rimpels. In de opperhuid verliezen de individuele lagen hun geordende structuur, er worden minder opperhuidcellen gevormd en de cellen krimpen. De opperhuid wordt dunner.

Naarmate de huid veroudert wordt de huid steeds dunner. Het bindweefsel verliest zijn normale vezelstructuur en vochtvasthoudende vermogen.
- Hoornlaag
- Opperhuid (epidermis)
- Dermale papillen
- Lederhuid (dermis)







